“Kijk daar”, zeg ik tegen de jongste die rondgapend op mijn schoot zit. Hij is ons driejarige zoontje waar wij vandaag mee naar één van de vele speeltuinen in Turnhout zijn. Gezien zij echter in een toestand van telefonische communicatie verkeert, ben ik plots gepromoot tot opperouder. “Kijk daar”, zeg ik, en wijs naar een wilde kat die door één van de vele struiken in Turnhout sluipt.

“Het is een Turnhoutse tijger die door de savanne kruipt. Wat doet de tijger?” Mijn binkje maakt een grommend geluid terwijl hij zijn kleine vingertjes tot een klauw buigt. “De tijger doet dat om zijn territorium af te bakenen”, vervolg ik mijn verhaal. “Dit gebied is van hem. Hij eist het op zodat hij er niet voor moet betalen. De Turnhoutse overheid staat dat toe door met arme Afrikaantjes hun grondstoffen het domein mensvrij te houden; terwijl die arme Afrikaantjes veel rijker zouden zijn als ze daar een grote fabriek op zouden zetten. In die fabriek kunnen ze dan kleine babyschoentjes maken, zoals degene die jij hebt,” en ik kietel zijn voetjes. Een gilbeurt van plezier is zijn reactie. “De Turnhoutse overheid is er gebaat bij de Turnhoutse tijgers tevreden te houden. Zij zijn immers de harde roepers. Van de brave stille Afrikaantjes hebben zij geen last, omdat zij niet kunnen grommen. Zolang de harde roepers in onze stad tevreden zijn, is de overheid tevreden. Het lijkt immers of iedereen tevreden is.”

“Mijn moeder belt juist”, onderbreekt de, nu nog vriendin, mijn verhaal. “Het Turnhouts tehuis zegt dat tante Yvonne niet lang meer te leven heeft en dat we best nu nog eens langsgaan, nu ze nog redelijk helder is.” “Wat doen we dan met hem?” vraag ik terwijl ik zijn haren kam. “In het bos dumpen zeker”, antwoordt zij op een toon alsof ze het meent. “Ze kan toch meekomen. Kom, voor je nog meer domme vragen kunt stellen.” Gehoorzaam doe ik zijn schoentjes terug aan en zet hem op zijn eigen poten. Hij loopt tussen mij en de moeder, beide onze handen vasthoudend, naar de auto. “Naar huis” vraagt hij. “Nee jongen, we gaan naar tante Yvonne. Ken je tante Yvonne nog?” Hij antwoordt door wederom naar huis te vragen en we laten het daarbij. We gespen hem vast in het kinderzitje en vertrekken naar tante Yvonne.

“Wie is ook alweer tante Yvonne?” vraag ik voorzichtig. De toekomstige vrouw is gelukkig ongevoelig voor zo’n vragen. “Die ken je niet, dus vergeef ik je jouw onwetendheid” spreekt ze toch redelijk vriendelijk uit, denk ik. “Het is eigenlijk een tante van mijn moeder, maar wij zeggen daar ook tante tegen. Een echte levensgenieter is ze, maar na de dood van nonkel Luc is ze er snel op achteruit gegaan. Ze probeert nog wel sociaal te zijn met de andere  binken van het Turnhouts tehuis, maar ze mist de fluwelen spirit van nonkel Luc zegt ze altijd. Als kind kwam ik daar graag. Ze hadden altijd spelletjes waarmee we Turnhoutse handjes konden winnen. Zo hebben we op een dag…” God en Jezus wat ben ik blij dat miniman begint te gillen. Het is niet dat ik niet graag naar haar luister. Mensen hebben nu immers altijd een mooier beeld over ouderlingen als ze zelf nog jong zijn. Toen waren dat vriendelijke mensen waarvan je net iets meer mocht dan van je ouders. Ik wil niet dat haar laatste bezoek aan tante Yvonne op een fiasco uitdraait.

Gezien we al vertrokken waren en onderweg zijn geweest, is de logische volgende stap dat we ergens verkeerd in eenrichtingsland, ook bekend als Turnhout, uitkomen.  “Kut, dat overkomt mij ook altijd”, vloekt Lizzy. Terwijl de jongste begint te lachen stuur ik een dodelijke blik naar haar. “Sorry, sorry”, zegt ze nog steeds gefrustreerd. “Maar het moet hier ergens zijn.” We rijden kriskras door de wijk totdat we uiteindelijk op de plaats van bestemming aankomen. Bij de aanblik van het tehuis zucht mijn aanstaande diep en knijpt iets harder in mijn hand. Zelfs de kleine man houdt zich stil alsof hij weet dat zijn nieuwe prille leventje niet dient ter vervanging van het verdwijnen van tante Yvonne. Hij is zijn eigen nieuwe leven dat ooit wel eens zal uitgroeien tot nonkel, maar zover is het nog niet. Hij moet eerst afrekenen met een nakende dood vooraleer hij uitgroeit tot een volwaardige kleuter. Zelf leren schrijven, koken, lopen, fietsen, dansen en speelkaarten drukken; om het daarna allemaal terug af te leren. Net als tante Yvonne.

“Dag tante”, zegt de vriendin terwijl ze haar een kus geeft. “Dit is mijn bink en we hebben de bengel bij. Je kent hem toch nog?” Het kan de luide toon zijn waarop zij plots begint te praten of het oude bleke verrimpelde gezicht van tante Yvonne, maar de jongen die plots bengel wordt genoemd, verstopt zich halvelings achter mijn been. “Dag bengel, dag jongen”, zegt ze. “Leuk dat jullie komen. Ga gerust zitten. Grote schat, pak jij een paar snoepjes voor de kleine schat. Je weet ze nog wel liggen.” Terwijl het mooiste meisje sinds het ontstaan van gras in de keuken verdwijnt, zet ik mij op een stoel. “Zijn jullie al lang een stel?” vraagt tante plots aan mij. “Voor mijn gevoel al heel ons leven en ik hoop oprecht dat daar geen verandering in komt.” Tante glimlachte. Ongetwijfeld denkt ze dat het nog om kalverliefde gaat. Maar nee, de vrouw in spe en ik zijn veel meer dan dat. “Je ziet er een goede jongen uit”, spreekt ze mijn vermoeden tegen. “En je liefje is een goed meisje. Ik hoop dat jullie zo gelukkig worden als mijn man en ik.” De persoon die ik meestal met al het liefs beschrijf, komt terug uit de keuken en zet zich naast mij.

Tante Yvonne glimlacht als we onze handen op elkaar leggen. “Ik weet nog dat ik zo jong was, mijn eerste liefde”, ademt ze uit. “Ik heb mijn leven goed geleid. Ik heb gereist, veel gelezen, veel mensen gesproken en in al die momenten heb ik één ding geleerd. Het leven is een grote grap. Kijk om je heen. Ik heb ooit een man eeuwige trouw beloofd tegenover een God waarin ik niet geloof. Ik heb kinderen gebaard om mij op mijn oude dag niet eenzaam te voelen in de overvolle Turnhoutse tehuizen. Ik heb mijn bijdrage geleverd aan een eeuwendurend sociaal experiment dat nooit zal slagen maar zich wel uit als superieur. Mijn man zou dan zeggen dat we dwalen, dat we de weg kwijt zijn. Maar we zijn de weg niet kwijt. We hebben gewoon geen idee waar we naartoe gaan. Alle wegen leiden dan wel naar Turnhout, maar toch varen we rond de wereld in de hoop er ooit af te vallen, maar het zal ons niet lukken. Dus geniet van elkaar, gun elkander het liefste en het mooiste. Maar hou één ding altijd in je achterhoofd: Het is allemaal maar een grap!

En in de stilte die toen viel, kon je horen hoe tante Yvonne haar glazen oog op de plankenvloer kletterde als een knikker.

Posted in Geen categorie

3 gedachtes over “Het leven is een grap

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s